Gebouwgebonden bekabeling en brandgedrag: wat zegt de Nederlandse wet?

CPR-logo

“Er zat een weeffout in het Bouwbesluit, en dat is hersteld”. Dit zijn de woorden van NEN-consultant Goffe Schat naar aanleiding van de commotie die was ontstaan over de toepasbaarheid van de normen en wetgeving inzake brandgedrag van kabels in gebouwen.

Op 1 juli 2020 zou het nieuwe Bouwbesluit van kracht worden, maar als reactie op druk vanuit de markt is door het ministerie van Binnenlandse Zaken besloten de invoering van delen van het besluit met een half jaar uit te stellen. De bepalingen omtrent de brandclassificatie van kabels is gelukkig wel ingegaan per 1 juli 2020, en dat was hoognodig.

De weeffout waarvan sprake houdt verband met de wijze waarop de zogenoemde Construction Product Regulation (CPR) vanuit Europa invulling geeft aan het onderwerp brandclassificatie van kabels en elektrische leidingen in gebouwen. In de Europese CPR-verordening wordt verwezen naar de norm EN 50575. Maar dit is de norm voor fabrikanten. EN 50575 zegt iets over de wijze waarop fabrikanten hun kabels kunnen indelen in brandklassen. Maar daar heeft een installateur in de praktijk weinig aan. Een installateur wil weten welke brandclassificatie hij moet gebruiken in de verschillende typen ruimtes in een gebouw. Het Bouwbesluit spreekt over ‘gebruiksfunctie’. En daarover stond niets in het Bouwbesluit, hetgeen tot verwarring in de markt leidde.

De redenering van Binnenlandse Zaken was eenvoudig: in moderne gebouwen worden de kabels doorgaans weggewerkt in de constructie en daar waar ze dat niet zijn, bedekken ze minder dan 5 procent van het oppervlak (plafond, vloer en muren) van een ruimte. En daarvoor kent het Bouwbesluit een uitzondering. De markt kende deze redenering niet, en ook Europa nam er geen genoegen mee. Ook vanuit de elektrotechnische sector werd geen actie ondernomen tegen deze aanname.

De verwarring nam nog toe bij de introductie van de norm NEN 8012 - Keuze van het kabeltype met als doel het beperken van schade als gevolg van brand van en via elektrische leidingen met inbegrip van glasvezelleidingen, die op initiatief van branchevereniging Fedet het licht zag. Deze norm gaat over de selectie van kabels als functie van de toepassing. Maar in tegenstelling tot wat installateurs vaak lijken te denken, wordt in het Bouwbesluit niet verwezen naar NEN 8012. De inzet is ook een andere: in NEN 8012 gaat het om het beperken van gevolgschade bij brand, niet om de veiligheid van mensen, zoals in het Bouwbesluit.

Maar bepaalde marktpartijen bazuinden rond dat het Bouwbesluit naar de NEN 8012 verwees. Tot voor kort kon men dat op enkele websites van bedrijven nog lezen. Dat is per definitie NIET WAAR. Met andere woorden: ook na de introductie van NEN 8012 was er nog altijd geen helder houvast voor installateurs bij de keuze van de juiste kabels.

Momenteel wordt gewerkt aan een aanpassing van NEN 8012, en die is nog niet klaar. In tussentijd is een Aanvullingsblad bij de huidige norm opgenomen: NEN 8012:2015/A1:2020.

De strekking van het Aanvullingsblad is dat installateurs en gebouweigenaren zich op de hoogte dienen te stellen van de minimale (wettelijke) eis uit het Bouwbesluit. Mocht raadpleging van NEN 8012 onverhoopt een lagere classificatie aanbevelen, dan kan deze uitkomst worden gecorrigeerd. 

Bouwbesluit en normen

Er is niet zelden onduidelijkheid over de relevantie, invloed en toepasbaarheid van wetten en normen. Het bouwbesluit is de wet waaraan de installateur zich dient te houden. Normen, zoals NEN 1010, zijn slechts een aanbevolen mogelijkheid om aan de wet te voldoen.